Rasstandaard:
Algemeen
De
Polski Owczarek Nizinny of Herdershond van de Poolse laagvlakte is een van de
Poolse Herdershonden. Vooral in de
omgeving van Bydgozsz hielden
boeren een dichtbehaard herdershondje dat verwantschap vertoont met o.a. de
schapendoes, de bearded collie en de Bobtail. De P.O.N. was een veelzijdige
helper van de herder. Het duurde echter een tijd voordat het ras aandacht kreeg
van de kynologie en werd tentoongesteld. Op 5 oktober 1963 werd door de F.C.I.
de erkenning van het ras verleend. In april 1972 werd de eerste nizinny in het
N.H.S.B. opgenomen, waarna in 1973 het eerste nest werd geboren.
Polski
Owczarek Nizinny Club in Nederland
Land van oorsprong:
Polen.
Gebruik:
gemakkelijk in de omgang, werkt als herdershond en waakhond. Overgeplaatst naar
het leven in de stad is hij een zeer goede gezelschaphond.
Klasse-indeling: Groep 1 Herdershonden en veedrijvers.
Sectie
Herdershond.
Zonder
werkproef.
Algemeen voorkomen:
de P.O.N. is een middelgrote hond, gedrongen, sterk, gespierd meteen lange en
dichte vacht. Zijn goed verzorgde vacht geeft hem een aantrekkelijk en
interessant uiterlijk.
Belangrijke verhoudingen:
de schouderhoogte verhoudt zich tot de lichaamslengte als 9 : 10. De lengte van
de schedel en die van de snuit staat tot elkaar als 1 : 1; de snuit mag evenwel
iets korter zijn.
Gedrag en karakter:
levendig maar beheerst, is hij waakzaam, oplettend, intelligent, goed van begrip
en begiftigd met een goed geheugen. Hij bestand tegen ongunstige
weersomstandigheden.
Hoofd:
middelmatig van grootte, in verhouding, niet te grof. Het uitstaande haar op het
voorhoofd, de wangen en de kin doet het hoofd zwaarder lijken dan het in
werkelijkheid is.
Schedel:
middelmatig breed, licht gewelfd. De voorhoofdgroef en achterhoofdsknobbel zijn
voelbaar.
Stop:
duidelijk aangegeven.
Neus:
zo donker mogelijk m.b.t. de kleur van de vacht.
Snuit:
krachtig stomp; de neusrug is recht.
Lippen:
goed aangesloten, de randen dezelfde kleur als de neus.
Kaken/tanden:
sterke kaken, sterke tanden, scharend of tang.
Ogen:
middelgroot, ovaal, niet uitpuilend, hazelnootkleurig,
met een levendige en doordringende blik. De randen van de oogleden zijn
donker.
Oren:
hangend, tamelijk hoog aangezet, middelmatig van grootte, hartvormig, breed aan
de basis; de voorste rand ligt tegen de wang; oplettende oren.
Hals:
middelmatig lang, sterk, gespierd, zonder keelhuis, eerder horizontaal gedragen.
Silhouet:
eerder rechthoekig dan vierkant.
Schoft:
duidelijk waarneembaar.
Rug:
vlak, sterk bespierd.
Lendenen:
breed, stevig.
Croupe:
kort, licht aflopend.
Borst:
diep, matig breed, de ribben voldoende gewelfd, niet vlak of rond.
Buik:
vertoond een elegante welving naar achteren.
Staart:
* Bij geboorte
kort of halflang, zeer kort gecoupeerde staart.
*
Niet gecoupeerde staart vrij lang en overvloedig voorzien van haren. In
rust hangt de staart naar beneden. Is de hond levendig, dan wordt de staart
vrolijk boven de rug gedragen, maar nooit sterk gekruld of op de rug rustend.
* Staart van
gemiddelde lengte die niet is ingekort op verschillende manieren gedragen.
Voorste ledematen:
van voren en in profiel gezien vertikaal en recht. Evenwichtige stand dankzij
een sterk skelet.
Schouders:
breed, matig lang, schuin, goed gesloten, krachtig bespierd.
Voorvoeten:
ovaal, tenen goed gesloten en licht gebogen, voetkussentjes flink hard. Nagels
kort en zo donker mogelijk van kleur.
Achterste ledematen:
van achteren gezien verticaal, goed gehoekt.
Dijen:
breed, goed bespierd.
Spronggewricht:
duidelijk waarneembaar.
Achtervoeten:
compact, ovaal van vorm.
Gangwerk:
soepel en uitgrijpend. Stap of draf vlak (zonder voeten veel op te heffen). De
hond gaat vaak in telgang.
Huid:
strak liggend, zonder een enkele plooi.
Vacht:
heel het lichaam is bedekt met een droge dichte vacht, dik en overvloedig; de
ondervacht is zacht. De haren die van het voorhoofd naar beneden vallen bedekken
de ogen op een karakteristieke manier.
Kleur:
alle kleuren en aftekeningen zijn toegestaan.
Schofthoogte:
reuen; 45 – 50 cm. Teven; 42 – 47 cm.
De
hond moet het type van werkhond behouden en mag daarom ook niet onder de
minimummaat van de standaard komen. Hij mag niet te teer zijn of te fijn
gebouwd.
Fouten:
alles wat afwijkt van het voorgaande moet als een fout beschouwd worden die
bestraft zal worden naar mate de ernst van de afwijking.
NB:
de reuen moeten twee testikels hebben die normaal ontwikkeld zijn en volledig in
het scrotum ingedaald.